
Alleen zijn? Achtergelaten worden? Voor een klein kind voelt dat al snel als het einde van de wereld. En gek genoeg maken wij als ouders het soms nog spannender — met onze goedbedoelde opmerkingen en het idee dat de wereld ook voor een kind net zo logisch en bekend is als voor ons.
Maar gelukkig is er een Goede Herder die altijd oplet. Hij ziet alles, raakt nooit in paniek en heeft overal een oplossing voor. Dat is precies waar dit verhaal van de week over gaat.

Is er iemand?
Door JK Stenger
Ik werd wakker met een knagende honger en rende naar de keuken. Tijd voor het ontbijt met ham, spek en eieren. Maar vreemd genoeg was er niemand. Het was muisstil in huis.
Ik opende de deur naar de woonkamer, waar eveneens een doodse stilte heerste die enkel verstoord werd door het jammerende geluid van Sams zelfgemaakte eolische harp, die buiten op de veranda hing. Mijn oudere broer, die al tien jaar was, had dat gedrocht eens gemaakt tijdens een van zijn creatieve uitbarstingen. Maar het had nog nooit zo spookachtig geklonken.
Waar was iedereen?
“Mama?”
Ik wachtte met ingehouden adem. Niets.
“Papa?” Ook geen reactie. Misschien waren ze aan het douchen. Maar waar was het luide, irritante gelach van Sam dan? Die douchte nooit en het gebruikelijke enthousiaste geblaf van mijn pluizige vriend Rover was ook niet te horen.
Toen drong het tot me door.
Ze waren allemaal weg. Jezus was natuurlijk gekomen en had hen meegenomen, terwijl ik… achtergelaten was. Dat moest het zijn. De Verlosser was teruggekomen. Zelfs de hond had hij meegenomen, maar mij was hij vergeten.
Van de ene dag op de andere was het einde gekomen. Papa had erover gesproken. “Tommy, in de Bijbel staat dat in de eindtijd ‘twee mannen op het veld zullen zijn: de ene zal worden meegenomen en de andere achtergelaten. Twee vrouwen zullen aan de molen malen; de ene zal worden meegenomen en de andere achtergelaten.’” *
Papa’s woorden hadden diepe indruk op me gemaakt destijds.
“De ene meegenomen, de andere achtergelaten. Dat moet vreselijk zijn, hè papa?”
Papa keek me peinzend aan, maar er was een vrolijk lichtje in zijn ogen. “Het zal niet vreselijk zijn voor degene die gelooft. Hij gaat naar de hemel. Naar een groot feestmaal.”
“Een feestmaal? Wat voor feestmaal?”
Papa’s gezicht lichtte op. “Weet je nog toen oom Gregory trouwde?”
“Ja?”
“Denk eens terug aan die prachtige tafel vol met je lievelingseten en drinken. We hebben die dag niet eens ontbeten.”
“Ja, papa. Je zei toen dat we een brunch hadden.”
“Precies. Brunch! En er zal een hemelse brunch zijn voor degenen die van God houden.”
“En … die andere man, papa? Waar gaat die heen?”
“Nergens. Die blijft achter. Geen brunch voor hem en geloof me, je wilt Gods hemelse brunch niet missen.”
Maar ik had dat feestmaal dus toch gemist, want iedereen was weg. Mijn hart bonsde en de tranen sprongen in mijn ogen terwijl ik probeerde deze vreselijke openbaring in mijn jonge geest te verwerken. Ik was door Jezus vergeten en achtergelaten. Hoewel … misschien zou onze buurvrouw, juffrouw Blumenthal, er ook nog zijn.
Dat was een geruststellende gedachte. De buurvrouw hield tenslotte niet van God. Ze had gelachen toen ik haar vertelde dat ik elke avond voor haar bad. “Religieuze onzin, Tommy,” had ze gezegd. “God bestaat niet eens, dus hoe kan hij naar je luisteren?”
Nee, die zou er zeker nog zijn.
Ik pakte mijn jas en rende naar haar huis.
Toen ik er bijna was, werd ik overrompeld door een beklemmend gevoel dat mijn vrees nog versterkte. Diezelfde onheilspellende stilte, zwaar en dik als een verstikkende deken, hing ook over haar huis.
Ik klopte aan met trillende vuist.
Driemaal klopte ik, maar niemand deed open. Ook zij was weg.
Hete, zoute tranen stroomden over mijn wangen. Ik zakte neer op haar koude, stenen stoep.
Maar wat hoorde ik daar? In de verte kwam een auto aan.
Een auto!
Ik rende naar de weg, waar ik een vertrouwd tafereel voor me zag. Onze mooie groene Volkswagen stopte voor de deur.
O, wat een vreugde. Wat een heerlijke vreugde. Papa reed, mama zat naast hem en juffrouw Blumenthal zat achterin. Op datzelfde moment kwam ook Sam de hoek om, met Rover die vrolijk blaffend aan zijn riem trok. Een golf van opluchting kwam over me heen en mijn angst was verdwenen. Jezus was nog niet teruggekomen en ik had het feestmaal niet gemist.
“Goedemorgen, Tommy,” zei papa terwijl hij uit de auto stapte en naar me toe kwam met een grote glimlach op zijn gezicht. “Onze buurvrouw moest plotseling naar het ziekenhuis. Een noodgeval. Je sliep zo diep dat we je niet wakker durfden te maken. Sam heeft toch zeker voor je gezorgd?”
Ik kon niet veel zeggen terwijl ik de laatste tranen uit mijn ogen veegde en mompelde enkel: “Ik… ik heb honger.”
“Honger?” vroeg papa met een glimlach. “Heb je nog niet gegeten? Laten we dan gaan brunchen. Op dat moment kwam juffrouw Blumenthal aangelopen en nam me verrassend genoeg in haar armen.
“Dank je, Tommy,” zei ze, met een schorre stem.
“Waarvoor, juffrouw Blumenthal?”
“Ik weet dat je voor me hebt gebeden, en ik heb dat nog nooit zo hard nodig gehad als vandaag. Ik ben zo geschrokken. Alsjeblieft, blijf voor me bidden.”
De kalmerende toon van haar stem nam de laatste restjes van mijn verbijstering weg en mijn hart maakte een sprongetje. Ik was dus niet achtergelaten en vergeten en misschien, heel misschien, zou juffrouw Blumenthal ook mogen genieten van de hemelse brunch na de terugkeer van Jezus.
* Mattheüs 24:40
___